De Oor-Zaak v.z.w.

Centrum voor Psychoanalyse

Editoriaal
Miet De Muynck

De psychoanalyse beroert ons. Vooreerst als persoonlijke ervaring. Daarnaast als behandeling van psychisch lijden. Met onze vernieuwde redactieploeg zetten we door en hebben we ons gelanceerd voor een tweede Cahier.
Aansluitend bij het werkthema van vorig jaar, waagt Joost Demuynck zich in de eerste tekst ‘Een vrouw tussen moeder en dochter’ aan het moeilijke werk rond de vraag wat een vrouw is.
Hij bespreekt Freud waar deze zich laat oriënteren door het mannelijk orgaan.
Daarna volgt Lacan. Hij komt los van het orgaan en maakt het tot een betekenaar: de fallus, het gaat dus om datgene waarnaar hij verwijst. Dit toont zich vooreerst in verschillende vormen van de ‘maskerade’. Daarnaast stelt hij dat de vrouw in de relatie met een man een fallische investering ziet: hij is haar object van liefde maar ook datgene waarnaar haar verlangen verwijst. Overheen die fallische genieting is er nog een andere typisch vrouwelijke genieting die onverwoordbaar en eindeloos is. De vrouw kan ook een opvulling voor de fallus vinden in een kind.
Als dochter kan de vrouw zich met haar vragen wenden tot de moeder. Moeders hebben geen relationele voorschriften. Dochters moeten zelf antwoorden uitvinden voor hun positie tegenover een man.
Deze goed gestoffeerde tekst eindigt verrassend. Lezen dus.
Daarna volgen 2 vertalingen van klinische beelden die ons intrigeren.
We kozen voor een klinisch tableau aan de kant van de vrouw, namelijk de echte anorexie en dit bij het jonge meisje. Dit wordt bijzonder helder en goed getoetst aan de praktijk, uitgelegd in tekst van Dr. Dewambrechies ‘De echte anorexie bij het jonge meisje’. Er wordt vertrokken vanuit een mooi historisch overzicht met een eerbetoon aan Dr. Charcot en Dr. Lasègue die onze heimwee naar de tijd van de zorgvuldige beschrijving van de kliniek doet toenemen. Ze pleit voor een differentiëring volgens de klinische structuur van de patiënte. Ze plaatst hierbij de hysterische anorexie als kliniek van de fallus tegenover de echte mentale anorexie die een kliniek van het object is. Het object is hier het orale object, ingebed in de dialectiek van het geven van eten en dus ook de macht van de moeder. Het subject keert nu de situatie om en eigent zich de macht toe door niets te eten, ‘het niets’ te eten. De psychoanalytische benadering van het object, met de originele toevoeging van het object ‘niets’, wordt hier heel toegankelijk gebracht. Enkel de psychoanalyse laat de dokter de meest werkbare invalshoek toe. De anorexie is een kliniek van de angst, waarbij het werk erin bestaat deze angst te krijgen langs de kant van de patiënte. Haar ervaring leert dat een opname met isolatie, zonder tijdsdruk, hierbij het meeste effect heeft. Die angst biedt dan zo een uitweg naar een zicht op het functioneren van het object. Ze legt in talrijke voorbeelden uit hoe ze daaruit probeert een authentiek spreken te doen ontstaan.
De volgende vertaalde tekst is voor de gevorderde lezer. Dr. La Sagna schrijft een moeilijk toegankelijk artikel over autisme ‘Een dam opwerpen tegen het sociaal autisme’. We namen het toch op omdat deze diagnose, met gans zijn spectrum, tegenwoordig veel wordt gesteld en nog meer omdat het een origineel standpunt over de taal biedt.
Aangezien we het moeilijk hebben om het spel van het imaginaire en het symbolische vlot te hanteren, stelt Dr. La Sagna dat het gesprek met autistische personen ons iets kan leren over het gebruik van woorden. Autisten staan in een wereld die verschillend is van een wereld opgebouwd rondom betekenis en interpretatie. Ze willen echter wel stappen in die wereld die draait rond zingeving. Maar de autist heeft moeite met het gebruik van de taal, wat verwijst naar Lacans stelling dat het essentiële van de taal nooit de functie van communicatie is geweest.
Er zijn subjecten die niets van de zin willen weten en dus niet van de associaties tussen woorden of van de relatie tussen woord en ding. Dr. La Sagna gebruikt rake voorbeelden uit het spreken zelf van autistische subjecten waaruit blijkt dat ze heel goed gebeurtenissen vatten uit een singulier discours. Maar ze kunnen daaruit geen algemeenheden en ook geen fundamentele eigenschap van een bestaand onderwerp afleiden dat de gaten tussen de woorden of in de wereld zou kunnen dicht maken. Dit typeert hun aparte beleving van een discontinu reële.
De merkwaardige achterliggende stelling is dat het subject zich vormt uit brokstukken van de taal, dus juist vanuit een ‘weinig aan zin’ dat het opvangt. Typisch voor de autist is dat hij dan een betekenis vanuit een Ander zeer vlug als indringend ervaart. Het is aan ons daarin wat luchtigheid te brengen.
Eveneens weigert de autist het verschil met de Ander niet. De psychoanalyse leert dat dit verschil tussen de één en de Ander er is op het niveau van het reële, als een verschil in genieting, meer dan in het symbolische. Sporen of tekens van de ander, naast een beeld van hem of zijn blik of zijn woord, worden dan opgepikt om ons ego vorm te geven. Er is immers geen theorie van de Ander. Onze eigen analyse leert wat van ons subject overblijft zonder de steun van woorden, voorstellingen of beelden. Het is belangrijk deze ervaring met verscheidenen te delen en dit als mogelijkheid te gebruiken om met het autistisch subject in gesprek te gaan.
Deze tekst geeft slechts na een herhaald en verwoed lezen zijn rijkdom in zijn densiteit prijs.
Vanuit de bespreking van aparte ziektebeelden, zetten we de stap naar de psychiatrie.
Stefan Verlinden houdt een helder discours over ‘Psychiatrie en psychoanalyse, een boeiend koppel’. Hij begint met het gevaar voor de teloorgang van de eigenheid van de psychiatrie door de inbedding in de geneeskunde. Hij haalt de moderne tendensen van het neurowetenschappelijke, de epigenetica, de decontextualisering, een teveel willen tellen en meten, de economische logica en het hygiënisme van gedragsregels en bespreekt ze kritisch.
De kliniek van het subject moet het uitgangspunt blijven. Vanuit de psychoanalyse moeten we onze plaats kennen in een instelling waar aan verschillende subjecten onderdak wordt geboden in telkens onderscheiden toepassingen. Ga vooral de concrete toepassingen in ‘Het Sleins model’ lezen.
Naast de zorg in de instelling, wordt verder de zorg in de ambulante centra besproken.
Glenn Strubbe heeft het over deze ambulante zorg in ‘Niet normaal? Go (sint)home’. De nieuwe tendens in de geestelijke gezondheidszorg is de vermaatschappelijking. Met die zorg moeten we naar de maatschappij toe gaan. Maar welk antwoord geeft de maatschappij op psychisch lijden? Er is de invulling vanuit het streven naar geluk. Geluk gaat dan samen met gezondheid, hier verwijst hij naar de interessante denker Canguilhem. Men gaat uit van een toestand van normaliteit. Dit heeft een normatief en moraliserend kantje. Er is ook een zoektocht naar controle en ‘aangepast’ zijn. Daarin plaatst hij de ‘evidence based medicine’ en erkent hij een neiging naar het repressieve. Hij maakt een mooie kanttekening bij de psychotici.
Hij besluit met wat Lacan leert: het subject moet zijn eigen symptoom maken om de 3 registers samen te houden maar dit symptoom doet ons afzien. De analyticus werkt met zijn verlangen om het subject meer vrij te doen staan tegenover zijn eigen uitvinding, onder de vorm van een sinthoom.
We sluiten af met de dappere bijdrage van onze twee jongste redactieleden.
David Teetaert schrijft over ‘Hoe de psychoanalyse werkt’. als titel verwijzend naar een studiedag gehouden door de Kring in april 2011. Hij sluit hierin aan bij de voorgaande tekst met het verlangen van de analyticus als motor van de psychoanalytische ervaring. Hij wil dus de plaats van de analyticus bespreken vanuit ‘de passe’. Dit is een procedure waarbij een getuigenis over een individueel parcours van een eigen analyse wordt afgelegd in het proces van zich ‘analyticus’ te noemen. Hij vergelijkt dit met wat men verstaat onder een evaluatie.
Jonas Verbauwhede houdt de vinger aan de pols van de cultuur, namelijk in de huidige filmwereld. Hij brengt een boeiend verslag van een documentaire ‘Exit through the giftshop’ waarin twee onwaarschijnlijke werelden in elkaar vloeien. De 2 gelaagdheden zijn de wereld van de street-art met als protagonist Banksy en van de documentairemaker Thierry Guetta. Er is een merkwaardige omkering in een commercialisering van het product van de kunst en een uit de hand gelopen interesse als bewerking van een traumatische ervaring. De plaatjes op de achterzijde bieden een voorsmaakje. De echte waarde ligt natuurlijk in het zelf gaan kijken.
In onze tweede vernieuwde Cahier brengen we dus het divers aanbod van theoretische artikels, besprekingen van de kliniek in twee ziektebeelden, in de ambulante en residentiële behandeling, teksten over de passe en de cultuur. Hiermee wensen we bij te dragen aan het breder thema van de NLS van het werkjaar 2010-2011: ‘Hoe de psychoanalyse werkt’.